Directe instructie

Directe instructie

Directe instructie (DI) is een model waarbij de leraar start met het geven van klassikale instructie, op een interactieve manier. De vervolgactiviteiten stemt de leraar af op de behoeften van de leerlingen. De leerlingen die meer begeleiding nodig hebben krijgen extra instructie of begeleide oefening, de andere leerlingen werken zelfstandig. Ook kan de leraar vooraf meer instructie bieden voor leerlingen die dat nodig hebben. Het model wordt toegepast in primair onderwijs en voortgezet onderwijs.

Bij elke les volgens het DI-model vindt een stapsgewijze overgang plaats van leraargestuurd onderwijs naar zelfstandig werken. Het klassieke DI-model bestaat uit de volgende stappen:

  1. Introductie en terugblik.
  2. Instructie van nieuwe begrippen en vaardigheden.
  3. Begeleide oefening van het aangeleerde.
  4. Zelfstandig toepassen van het geleerde.
  5. Periodieke terugblik.
  6. Terugkoppeling (gedurende elke lesfase).

Waar moet je rekening mee houden?

Denk aan het volgende voor je deze interventie toepast in je leeromgeving:

  1. Er zijn verschillende varianten van het directe-instructiemodel. Veel gebruikt is Expliciete Directe Instructie (EDI), daarnaast is er Interactief Gedifferentieerde Directe Instructie (IGDI) en Activerende Directe Instructie (ADI). Kies de variant die bij je school past.
  2. Een zorgvuldige invoering is van belang. Dat is een teamaangelegenheid, waarbij leraren elkaar ondersteunen, door intervisie en lesbezoek.
  3. Gebruik niet alleen de fasering van het model, maar ook de didactische technieken, zoals controle van begrip, activeren van leerlingen en herhalen van de stof.
  4. Kies voor een schoolbrede implementatie, zodat de didactische aanpak voor alle jaargroepen vergelijkbaar is.